Laten we al onze krachten erop richten om onze geest enkel te vullen met God. Zelfs als we bezig zijn met onze werkzaamheden moeten we onze ogen voortdurend op hem gericht houden, ons hart nooit van hem losmaken; we moeten onze aandacht geven aan onze werkzaamheden in de mate waarin dat goed en nodig is, maar we moeten niet ons hart eraan geven.

God moet koning zijn van ons verstand, de Heer van onze geest, zodat de gedachte aan hem ons nooit verlaat; dan spreken en denken en handelen wij altijd voor hem, geleid door de liefde voor hem. Laat onze ziel dus een huis van gebed zijn en niet een rovershol. Laat geen vreemdeling binnen, geen godslastering, zelfs niet in het voorbijgaan. Laat de ziel altijd in beslag genomen worden door de geliefde. Als je liefhebt verlies je dat wat je liefhebt nooit uit het oog.

-Uit de lezing van 6 april 2010 van www.keltischegebeden.nl